BASISINKOMEN, LANDRENTE EN SOCIALE DRIEGELEDING VAN JOS VERHULST

Uittreksel UIT:

BASISINKOMEN, LANDRENTE EN SOCIALE DRIEGELEDING

VAN JOS VERHULST

Bewerking Louwrien Wijers

Mensen beschikken over waarheidsweten, waardoor wij in staat zijn tot redelijke overweging en gesprek en via onze lichamelijkheid worden we geconfronteerd met economische schaarste. Het economische fenomeen begint met de ervaring van een menselijke behoefte en eindigt bij de bevrediging van die behoefte.

De ervaring van de behoefte wordt gevolgd door een idee over de manier waarop de behoefte bevredigd kan worden. Dat zal gepaard gaan met een ideële strijd; de behoefte kan op verschillende manieren bevredigd worden worden en de meest geschikte manier moet geselecteerd worden.

Het economische verschijnsel begint dus als een mentaal of geestelijk gegeven. Vervolgens moet het idee in productieve activiteit worden omgezet, het idee moet in de sfeer van economisch ondernemerschap geïmporteerd worden. De ondernemer brengt ter verwezenlijking van het idee concrete mensen en middelen bijeen. Deze fase kan uiteenlopende vormen aannemen maar moet altijd op een bepaalde manier binnen het economisch fenomeen aanwezig zijn, omdat het productieve idee een vorm van uitvoering moet krijgen.

Deze fase moet zich verdichten in een juridische, rechtelijke fase, waarin de ondernemer mensen en middelen met elkaar in contact brengt. Maar om tot productie over te gaan zal eerst een concreet samenwerkingsverband gesmeed moeten worden. De vrije verkenning van productieve mogelijkheden, zal dan uitmonden in het vaststellen van een overeenkomst. De productie wordt aangepakt in de stoffelijke wereld die zich kenmerkt door schaarste want de vereiste productiemiddelen zijn niet onbeperkt beschikbaar en bovendien hebben de kandidaat-producenten een inkomen nodig. Verhoudingen van bezit en eigendom, moeten vastgesteld worden en contracten en afspraken, moeten gemaakt en nageleefd worden. Enerzijds kunnen overeenkomsten pas worden afgesloten, nadat middelen en mensen zijn verzameld en nadat overlegd is over de inhoud van de overeenkomst, anderzijds moet deze fase gevolgd worden door de productie-fase. De dubbelfase van middelen en mensen, en productie, vormt de sociaal-economische bedding voor de materiële productie. Hier wordt het productie idee omgezet in waren, goederen of diensten. In deze dubbelfase strekt het economische fenomeen zich uit in de intermenselijke sfeer, de menselijke arbeid is met name ingebed in de context van de arbeidsdeling.

Met de productie van waren is het economische fenomeen nog niet ten einde. De waren moeten overgedragen worden van de sfeer van arbeid en productie naar de sfeer van persoonlijke consumptie. Die overdracht gebeurt door aankoop op de markt. Het product komt daardoor in het individuele bereik van de consument en wordt als het ware een extensie van het lichaam, bestemd voor de bevrediging van specifieke lichamelijke behoeften.

De micro-economische cyclus heeft betrekking op bevrediging van individuele behoeften en de micro-economische handelingen samen worden voorgesteld als de macro-economische cyclus.

De macro-economische cyclus geeft aan dat in de economische kringloop drie wezenlijk verschillende types productie voorkomen. Allereerst moeten producenten worden voortgebracht. Dat zijn mensen met hun productieve vaardigheden. Dan worden productiemiddelen gegenereerd die worden ingezet voor om producten voort te brengen. Deze producten worden verbruikt door de consumenten- producenten waardoor de cyclus wordt gesloten. Net zoals de geologische watercyclus, met verdamping, neerslag en terugvloeiing, wordt aangedreven door de zon als externe energiebron, heeft de economische cyclus een aandrijving van buitenaf, die te vinden is in het geestesleven en het rechtsleven.

De producten worden voortgebracht in de wereld van de arbeid, aangeduid als ‘arbeid‘, we gaan in deze tekst niet in op het onderscheid tussen ‘waren’ en ‘diensten’. Menselijke arbeid wordt gekenmerkt door het fenomeen van de ‘arbeidsdeling’. De productieve kracht van de individuele mens kan spectaculair toenemen door taakverdeling en specialisatie. Het gevolg hiervan is dat de individuele mens in objectieve zin niet voor zichzelf werkt maar voor zijn medemens, ieder mens consumeert wat de anderen voortbrengen.

De producten worden geabsorbeerd of geconsumeerd door ‘het land’. Als consument behoort de mens tot dit ‘land’; tegenover de stroom van producten van ‘arbeid’ naar ‘land’ staat een stroom van koopgeld van ‘land’ naar ‘arbeid’. Het land omvat een geografisch deel van het aardoppervlak waarmee een bepaalde rechtsgemeenschap is verbonden die het recht produceert dat over het betrokken gebied in voege is. Het begrip ‘land’, zoals hier bedoeld, omvat ook de natuur, de infrastructuur enzovoort in het betrokken gebied. Het land is op allerlei manieren getekend door de geschiedenis en draagt daarvan de sporen. Bovenal omvat het ‘land’ de menselijke bevolking van dat gebied, met zijn consumptie-voorkeuren en met zijn productieve kwaliteiten. Deze productieve kwaliteiten omvatten niet alleen de productieve vaardigheden en talenten maar ook de morele kwaliteiten en tekortkomingen die voorhanden zijn in de bevolking. Als hoofdschakel in de economische kringloop fungeert het land enerzijds als de verbruiker van de vruchten van menselijke arbeid, de waren of producten, en anderzijds als de voortbrenger van productieve vermogens die stromen van ‘land’ naar ‘kapitaal’. Deze productieve vermogens ontstaan, doordat in het land nieuwe mensen geboren worden en doordat het land aan de bevolking professionele en morele ontwikkelingsmogelijkheden biedt. Uit het land verrijst menselijke creativiteit, verbeeldingskracht en productief initiatief die met het kapitaal aan de slag gaat. Het land is het domein waarop de ‘zorg’ de ruimte schept voor de ontwikkeling van productieve ideeën en productief initiatief.

Het land heeft een tweevoudig ‘transcendent’ karakter in de zin dat het economische leven via het land langs twee zijden met niet-economische werkelijkheden in aanraking komt.

Enerzijds vormt het land als natuur een fundamentele begrenzing voor de economie. Voor de mens en zijn economie is deze ‘natuur’ een a priori gegeven. Dit geldt voor de natuurwetten, voor het gegeven zelf van ruimte en tijd en ook voor de menselijke lichamelijkheid, die eveneens deel uitmaakt van het land. De mens heeft het land niet gemaakt en kan het land niet in eigendom hebben. Dit geldt ook voor het menselijke lichaam zelf: de begrippen ‘eigendom’ of ‘bezit’ zijn niet van toepassing op het menselijke lichaam en de menselijke lichamelijkheid. Het menselijke lichaam en ook het natuurlijke land, waarmee de lichamelijkheid verbonden is, horen als een opdracht of opgave beschouwd te worden. In een menswaardige samenleving ligt de menselijke lichamelijkheid ingebed in de eerder besproken buiten-economische, ‘sacramentele sfeer’. Ook het land zelf wordt in de menswaardige samenleving opgevat als een transcendent en geheiligd gegeven dat niet het voorwerp kan zijn van individuele eigendomsclaims, maar verzorgd, beschermd en doorgegeven dient te worden. Het in de loop van de geschiedenis ontstane Europees-christelijke cultuur-landschap met kerken en kapellen als bakens voor ruimte en tijd, is hiervan een uitdrukking.

Anderzijds is het land ook de verschijningsplaats voor de creatieve geest die in de economie ingrijpt. Het land brengt nieuwe mensen voort en vormt de bedding, waarbinnen die mensen opgroeien en zich ontwikkelen, waarbij voortdurend nieuwe productieve vaardigheden en economisch relevante inzichten tevoorschijn komen. Die geestkracht transcendeert, voedt en begeleidt het economische leven, maar wordt niet op dezelfde manier door het economische leven voort-gebracht als producten of waren. Het economische leven brengt de producten voort in de zin dat, voor hun verschijning een passieve bedding of landingsplaats wordt geleverd. In wezen dient de economie af te wachten in welke mate deze geestelijke instroom het economische leven zal sturen en bevruchten.

Menselijke creativiteit en initiatiefkracht grijpen in de materiële wereld in via de vorming van kapitaal, door productieve verbanden en productiemiddelen. Zoals de voortbrenging van producten gebaseerd is op arbeidsdeling, zo is de voortbrenging van productiemiddelen gebaseerd op initiatiefdeling. De arbeidsdeling is gericht op de toekenning van een specifiek type arbeid aan degene die voor dat soort arbeid de beste vaardigheden ontwikkeld heeft. Door de initiatiefdeling belandt de ontwikkeling van nieuwe productiemiddelen en productieverbanden bij degene die terzake over de meeste talenten beschikt.

Initiatiefdeling gebeurt via concentratie van kapitaal. Kijk naar een primitieve economische situatie waar wel arbeidsdeling bestaat maar geen initiatiefdeling. In zo’n primitieve economie circuleert al één of andere vorm van geld. Dat geld is in wezen een wederzijds toegestaan krediet. Kijk bijvoorbeeld naar twee individuen A en B die elkaar van vis respectievelijk brandhout voorzien. A is visser en heeft als productiemiddel een boot. B is houthakker en heeft als productiemiddel een bijl. Zonder geld kan een onmiddellijke ruil van vis tegen hout gedaan worden. Wanneer leveringen in tijd gescheiden worden zien we één of andere vorm van geld verschijnen, die fungeert als boekhouding. Als A bijvoorbeeld een portie vis levert aan B, en B levert niet direct een portie hout aan A, dan staat B ‘in het krijt’ bij A. De schuld van B jegens A moet ergens worden bijgehouden, eventueel door een krijtstreepje. Dit krijtstreepje is dan al een vorm van geld. Dat geld kan ontstaan doordat A en B elkaar een krediet hebben toegestaan: ze hebben zich bereid verklaard elkaar een zeker aantal leveringen toe te staan zonder directe tegenprestatie. Uiteraard is zo’n wederzijds krediet alleen logisch sluitend en billijk als het krediet wordt begrensd, zowel inzake het maximum aantal leveringen dat zonder tegenprestatie opgenomen kan worden als inzake de tijd waarbinnen de tegenprestatie geleverd dient te worden. B kan dus niet zonder tegenprestatie een onbeperkt aantal leveringen vis van A betrekken en hij kan evenmin de tegenprestatie onbeperkt uitstellen. In het door A en B gebruikte geldsysteem dienen beide beperkingen op één of andere manier ingebouwd te worden.

We hebben aangenomen dat in de samenleving van A en B geen kapitaalconcentratie is. Dit betekent dat A en B de door hen gebruikte productiemiddelen zelf vervaardigen, vernieuwen en onderhouden. Wanneer de boot van A toe is aan vervanging of herstel, kan A een tijdlang geen vis leveren. Hij moet immers werken aan de boot die zijn ‘kapitaal’ vormt. Tijdens die periode moet hij zich wel kunnen verwarmen. Zijn krediet bij B moet voldoende groot zijn om de tijdspanne te overbruggen. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook; op een gegeven moment is de bijl van B aan vervanging toe. Het werktuig maken kost tijd en B moet kunnen eten tijdens de periode waarin hij geen brandhout kan leveren. Hij zal dan een beroep doen op zijn krediet bij A.

In deze primitieve economie waarin iedereen zijn eigen productiemiddelen maakt bestaat in eerste instantie alleen ‘koopgeld‘. Het geld fungeert als een simpele losbladige boekhouding die de wederzijdse tegoeden en schulden bijhoudt. Geld gaat van A naar B wanneer een product van B naar A gaat. Als B brandhout levert aan A, gaat een krijtstreepje of bankbiljet van A naar B. De wederzijdse kredieten die via het gebruik van het geldsysteem worden toegestaan zijn voldoende ruim om ook de benodigde kapitaalopbouw en kapitaalvervanging te hebben.

Een nieuwe situatie ontstaat wanneer deelnemers aan het economische leven besluiten niet langer individueel de eigen productiemiddelen voort te brengen maar die taak gaan toevertrouwen aan degenen die hiervoor het best geschikt zijn. We komen dan in een situatie waarbij de meeste economische actoren de kredieten waarover ze individueel beschikken voor de opbouw van hun eigen productie-middelen bijeen brengen en ter beschikking stellen van een ‘ondernemer’ die terzake bijzonder begaafd is. Het aldus bijeengebrachte krediet of geld, noemen we ‘leengeld‘. Op het moment dat de producenten hun wederzijdse kredieten voor kapitaalopbouw niet meer zelf gebruiken maar bijeen brengen, emancipeert dit leengeld zich van het koopgeld. Het leengeld onderscheidt zich van het koopgeld door het fenomeen ‘kapitaal-rente‘. Doordat de meeste economische actoren hun oorspronkelijke krediet ter vernieuwing van hun eigen productiemiddelen overdroegen aan de ondernemer ontstaat een algemene verhoging van productiviteit. De bijkomende opbrengst komt ten dele toe aan de ondernemer en ten dele aan degenen die hun kredieten aan de ondernemer hebben overgedragen. De ‘rente’ weerspiegelt het deel van de opbrengst dat toekomt aan degenen die de actie van de ondernemer mogelijk maakten door hun eigen krediet ter beschikking te stellen aan de ondernemer. Dit hoeft niet te betekenen dat de met leengeld verbonden rente noodzakelijkerwijs de klassieke vorm moet aannemen van rente op obligaties of rente op termijnrekeningen. De economische actoren kunnen allerlei andere modaliteiten afspreken om de meeropbrengst te verdelen die voortvloeit uit de initiatiefdeling, de concentratie van krediet bij de ondernemer.

We hebben gezegd dat de visser en de houthakker logischer-wijs ook een tijdslimiet dienen te verbinden aan het krediet dat ze elkaar toestaan. Bij afwezigheid van zo’n tijdslimiet zou het voor één van de actoren mogelijk zijn het krediet op te nemen en vervolgens permanent open te laten staan, zonder enige vorm van tegenprestatie. De visser zou bijvoorbeeld het maximaal afgesproken aantal houtporties kunnen opnemen en daarna alle relaties met de houthakker blijvend stopzetten. Uiteindelijk sterft de houthakker, en blijft de schuld definitief onvereffend. Het geld dient de sterfelijkheid van economische actoren te weerspiegelen. Het geld ontstaat als een concrete individuele schuldtitel: in oorsprong is geld het bewijs dat de houder van geld een concreet goed heeft geleverd en aanspraak kan maken op een compenserende levering door de concrete ontvanger van dat goed. Pas nadien treedt een abstractieproces op doordat de schuldtitels als betaalmiddel aan derden worden gebruikt. In overeenstemming hiermee is de echte dekking van het geld het gegeven dat economische partners voorhanden zijn, die beschikken over de vaardigheden en de goede wil om in ruil voor het geld producten te leveren. Als economische partners verdwijnen vervalt deze dekking en verliest het geld zijn waarde. Boekhoudkundig gezien dient het geld dus te sterven samen met de producenten.

Anderzijds kan geld als het ware herboren worden wanneer nieuwe producenten tot de gemeenschap toetreden. In een stabiel economisch systeem moeten dus voortdurend nieuwe producenten worden ‘bijgemaakt’. Dit impliceert dat zo’n stabiel systeem moet voorzien in financiële ruimte voor geboorte, opvoeding en opleiding van nieuwe producenten. Het geld dat hiervoor wordt ingezet is als het ware nieuw geld, dat in de economische kringloop verschijnt hand in hand met de nieuwe producenten. We spreken dan van ‘schenkgeld‘.

De natuur en bestemming van schenkgeld.

Het belang van sluiting van de economische cyclus door schenkgeld wordt vaak miskend. Zoals we zullen zien, komt het schenkgeld voort uit kapitaal. Het schenkgeld wordt geabsorbeerd door het ‘land’, wat betekent dat het in eerste instantie terecht komt bij de individuele leden van de rechtsgemeenschap van dat land. Het schenkgeld is ruimte scheppend geld. Het creëert de ruimte waarbinnen mensen kunnen worden geboren en opgroeien en waarbinnen nieuwe talenten en menselijke kwaliteiten tot ontwikkeling kunnen komen. Deze nieuwe mensen, dragers van nieuwe talenten en productieve ideeën en mogelijkheden, kunnen niet worden gekocht. De menselijke individualiteit kan als zodanig niet in de economische kringloop als waar circuleren omdat de mens fungeert als voorafgaande bestaansvoorwaarde voor de verschijning van die kringloop. De mens, met zijn aanleg tot rede, genegenheid en verantwoordelijkheid is ten opzichte van het economische leven een a priori gegeven, net zoals men niet op de eigen rug kan zitten, kan de economische kringloop niet de eigen actoren als waar laten circuleren. Ten opzichte van de economische cyclus verschijnen menselijke individualiteiten van buitenaf: zij duiken op in het land, uit de sacramentele sfeer. Niettemin verbruiken deze mensen noodzakelijkerwijs door de economie voortgebrachte producten. Anderzijds wordt kapitaal, de productiemiddelen, onproductief als uit het land niet een voortdurende toevoer bestaat van nieuwe producenten die dragers zijn van nieuwe productieve talenten. We zagen dat het leengeld leidt tot voortbrenging van productiemiddelen en verbonden is met het verschijnsel kapitaalrente. Ten dele analoog hiermee leidt het schenkgeld tot voortbrenging van producenten, waarbij deze derde geldstroom verbonden is met de landrente. Tussen ‘kapitaalrente’ en ‘landrente’ bestaat evenwel een scherp onderscheid.

Zoals we zagen is kapitaalrente de vergoeding voor degenen die hun oorspronkelijke krediet voor vernieuwing van productiemiddelen overdroegen aan de ondernemer die het kapitaal verzamelt. Landrente daarentegen is de uitdrukking van de productiviteit van het land. De bijdrage van het land tot de productiviteit kan direct worden gevisualiseerd via een eenvoudig gedachten-experiment. Stel je een bepaald bedrijf voor met een groep medewerkers en een aantal productie-middelen. We kunnen ons dit bedrijf indenken in een voorspoedig land, met een degelijke infrastructuur, een goed klimaat en een talentvolle en moreel hoogstaande bevolking. In zo’n land kan het bedrijf gemakkelijk grondstoffen aanvoeren en de gemaakte producten afzetten; men kan gemakkelijk nieuwe en bekwame medewerkers aantrekken en men heeft geen last van corruptie en diefstal. Door al deze factoren bereikt het bedrijf een hoge productiviteit en kan een hoge winst gerealiseerd worden. We kunnen in gedachten datzelfde bedrijf overplanten in een treurig land, met een belabberde infrastructuur en met een weinig geschoolde bevolking met lage morele standaard. In die situatie zal het bedrijf met precies dezelfde inspanningen, een veel lagere winst realiseren. Mogelijk kan het bedrijf in zo’n onproductief land zelfs niet overleven. Het verschil in winst, dat in beide situaties wordt gemaakt weerspiegelt een verschil inzake landrente. Het land blijkt als zodanig een productieve factor die zich weerspiegelt in de hogere of lagere winst die door het bedrijf wordt gerealiseerd. Over het algemeen zal een bedrijf, nadat alle bedrijfskosten zijn gedelgd, alle medewerkers in het bedrijf een billijk inkomen hebben ontvangen en alle afschrijvingen zijn geboekt, een ‘zuivere winst’ realiseren. Deze zuivere winst is de landrente. Deze landrente wordt gegenereerd uit het kapitaal en is van nature, zoals we zullen zien, bestemd om als ‘schenkgeld‘ terug te vloeien naar het land. In de huidige samenleving wordt dit schenkgeld met gebruikmaking van valse en oneigenlijke eigendoms- en machtsverhoudingen in beslag genomen. Deze oneigenlijke verhoudingen worden gecreëerd en in stand gehouden doordat degenen die het schenkgeld in beslag nemen de staatsmacht inzetten voor hun doeleinden. Onder de bestaande maatschappelijke verhoudingen wordt de landrente in beslag genomen via allerlei kanalen zoals aandeelhouderschap, degenen die niet werken in het bedrijf maar gelden als ‘eigenaar’ van het bedrijf, zogenaamde ‘patentrechten’ en ‘auteursrechten’, door de staat, die onder het mom van dwangdienstverlening allerhande belastingen heft, door allerlei vormen van speculatie en door banken. De logische oergestalte van de economische cyclus is anders. In een reële economie is deze oergestalte altijd herkenbaar maar ernstige vertekeningen kunnen optreden. In de huidige samenleving verschijnt ‘schenkgeld’ grotendeels in de vervormde gedaante van door de staat opgelegde ‘dwangschenkingen’, bijvoorbeeld via fiscaliteit gefinancierd kindergeld; staatsgecontroleerd onderwijs; staatsgecontroleerde media, religie en censuur; staatsgesubsidieerde politieke partijen enzovoort, die niet gericht zijn op de vrije geestelijke ontwikkeling van de menselijke individuen, maar integendeel die ontwikkeling willen sturen in een door de machthebbers gewenste richting.

Bezit en eigendom.

Aan wie komt de landrente toe? Om deze vraag te beantwoorden moeten we bepalen aan wie het land toebehoort en in welke zin dit ‘toebehoren’ kan worden opgevat. Deze vragen kunnen alleen beantwoord worden nadat het onderscheid is gemaakt tussen twee begrippen die we zullen aanduiden als respectievelijk: ‘eigendom‘ en ‘bezit’.

Kort gezegd: met betrekking tot het gebruik van natuurlijke werkelijkheden zoals grond en bodem kan men hooguit spreken van ‘bezit’ maar niet van ‘eigendom’. Men kan grond ‘bezitten’ in de zin dat men daadwerkelijk op die grond ‘zit’, dat wil zeggen op die grond woont, of op die grond werkt. Omdat mensen natuurlijke en lichamelijke wezens zijn, kunnen zij niet leven zonder een vorm van bezit, bovendien zijn grond en bodem in economische zin schaars. Wanneer A een akker gebruikt om aardappelen te telen kan B niet tegelijk die akker gebruiken om tarwe te verbouwen. Wanneer gezin X een huis bewoont dan kan dat huis niet tegelijk door gezin Y bewoond worden. De leden van de rechtsgemeenschap moeten dus met betrekking tot hun land rechtsregels creëren om de bezitsverhoudingen te regelen. Daadwerkelijk gebruik van een stuk land is de enige band die een mens met dat stuk land verbindt. Als het gebruik ophoudt, verdwijnt ook de band. Grond behoort dus niet gekocht en verkocht te worden maar moet volgens wettelijk bepaalde modaliteiten worden doorgegeven. Men kan in de eigenlijke zin geen ‘eigenaar’ zijn van de grond, los van het gebruik van die grond. De zogenaamde eigenaar van grond heeft die grond immers niet gemaakt of geschapen. Zogenaamde eigendomsclaims op grond en bodem zijn in werkelijkheid altijd te herleiden tot een machtsgreep en de staatsmacht wordt aangewend om deze machtsgreep te bestendigen en te gebruiken om via allerhande kanalen beslag te leggen op de landrente.

De oorsprong van het concept ‘eigendom’ is gelegen in de menselijke arbeid. Men kan eigenaar zijn van datgene wat men op rechtmatige wijze zelf heeft geproduceerd, of wat anderen hebben geproduceerd en wat men daarna heeft gekocht, gekregen of geërfd. De menselijke lichamelijkheid is als het ware gericht op de voortbrenging van het product. De bouw van de menselijke hand vraagt om de aanvulling door een werktuig. De globale menselijke constitutie vraagt om de aanvulling door een kring van eigendommen die het fysieke bestaan mogelijk maken. De door de mens gegenereerde of verworven producten zijn te beschouwen als een extensie van iemands lichamelijkheid. De waren of producten die voortgebracht worden in antwoord op de economische schaarste worden van nature, dat wil zeggen op grond van de lichamelijke natuur van de mens, object van eigendom.

Men moet dus twee soorten schaarste onderscheiden, enerzijds bestaat schaarste uit hoofde van het land; er is niet oneindig veel grond ter beschikking en door de rivieren stroomt niet oneindig veel water. Grond en rivieren zijn niet door mensen gemaakt, en kunnen niet in eigenlijke zin het voorwerp van eigendom zijn, ze maken deel uit van het land en vormen de basis voor de productiviteit van het land. Grond of bodem is anderzijds essentieel voor het menselijk bestaan: de mens gebruikt grond en ‘bezit’, dat wil zeggen ‘bezet’, altijd een stukje grond. De mens kan dus wel een bezitsrelatie met de grond hebben. Anderzijds bestaat schaarste met betrekking tot menselijke producten. Een brood kan slechts éénmaal gegeten worden, een jas kan slechts een tijdlang gedragen worden. Deze producten zijn het object van eigendom en kunnen wel, los van hun gebruik of verbruik, gekocht en verkocht worden.

Er bestaan ook individuele menselijke voortbrengselen die niet schaars zijn. Ideeën, muzikale composities, teksten en dergelijke zijn als zodanig niet schaars. Een boek als fysiek object is een waar en is als zodanig schaars, maar de tekst in het boek is niet schaars. Wanneer één mens die tekst leest, kunnen tegelijk onbeperkt veel andere mensen deze tekst ook lezen. Deze niet-schaarse menselijke producten worden in veel gevallen kunstmatig schaars gemaakt door ze wettelijk te verbinden met auteursrechten, octrooien en patenten. Dit is onterecht, wat direct blijkt uit het feit dat degenen die voor de eigen geestelijke creatie betaling eisen helemaal niet betalen voor de geestelijke creaties waarvan zijzelf gebruik maken. Niemand betaalt bijvoorbeeld aan de erfgenamen van de uitvinder van het wiel of aan de uitvinder van het alfabet. Om voor zichzelf betaling te eisen en tegelijk zichzelf vrij te stellen van betaling voor de vindingen van anderen zijn allerlei onbillijke regelingen uitgedokterd, bijvoorbeeld vervaltermijnen voor auteursrechten en patenten, die uitmunten door willekeur. Hoewel niet-schaarse individuele producten onmogelijk het voorwerp kunnen zijn van eigendom in economische zin, blijven ze wel een geestelijke band behouden met de maker. Er bestaat een ‘claim van geestelijk vaderschap’ van de maker of auteur op zijn geestelijke product. Deze claim op auteurschap of uitvinderschap, berust op de noodzaak tot waarachtigheid in de menselijke samenleving. Het is met name onrechtmatig om valse claims van auteurschap te vestigen op een geestelijk product of om het geestelijk vaderschap van het product moedwillig te verzwijgen of in twijfel te trekken.

Tenslotte bestaan ook fysieke elementen waarop het schaarsteprincipe niet van toepassing is, zoals het maanlicht, en geestelijke producten waarvan niemand de bron kent, zoals de taal, het wiel of het vuur. Gebruik van deze zaken staat, in economisch opzicht, volkomen vrij.

Voor ons betoog is van belang dat het land wel voorwerp kan zijn van ‘bezit’ maar niet van ‘eigendom’. Rente op eigendom-titels van land zijn dus intrinsiek onrechtmatig en landrente hoort niet aan de houders van dergelijke oneigenlijke titels toegewezen te worden. Om te achterhalen aan wie landrente wel toekomt moeten we dieper ingaan op de verhouding tussen het land en de bij dat land horende rechtsgemeen-schap.

Evenredige verdeling van de landrente.

In een democratische gemeenschap wordt recht gecreëerd door de leden van de rechtsgemeenschap. Dit recht is van toepassing op het ‘land’ dat hoort bij die rechtsgemeenschap en regelt de omgang met de economische schaarste in die gemeenschap. De meest fundamentele vorm van schaarste is die van de toegang tot het land zelf. De uitgebreidheid en de gebruiksmogelijkheden geboden door het land zijn eindig en beperkt, bovendien heeft ieder lid van de rechtsgemeenschap een concreet segment van het land nodig om überhaupt te kunnen wonen, werken en leven. Het recht dient dus te regelen hoe de leden van de rechtsgemeenschap als individu het land kunnen gebruiken. Hierbij gelden de volgende drie overwegingen:

De eerste overweging luidt dat land en grond geen waar is en niet het voorwerp kan zijn van eigendom. Het land is ten opzichte van het recht een a priori gegeven dat fungeert als bestaansvoorwaarde voor het recht; koop en verkoop van land komt neer op oneigenlijke koop en verkoop van gebruiksrecht van land. Iedere eigendomsclaim, in tegenstelling tot bezitsclaim, op een stuk land berust op een onrechtmatige afdreiging en machtsontplooiing.

De tweede overweging luidt dat de leden van de rechtsge-meenschap, vermits ze geen van allen eigenaar zijn van het land of een deel daarvan, zich ten opzichte van het land in een onderling symmetrische of gelijkwaardige verhouding bevinden.

De derde overweging luidt dat de menselijke conditie met zich meebrengt dat de mens leeft op het land en van het land. De mens kan zich dus niet afzijdig houden van het land.

Conjunctie van deze drie overwegingen voert tot het besluit dat ieder lid van de rechtsgemeenschap een gelijke individuele aanspraak heeft op een evenredig deel van het productieve land dat hoort bij die rechtsgemeenschap. Uiteraard kan het niet gaan om een letterlijke verdeling of verknipping van het ‘land’ in geografische of kadastrale zin. Ieder lid van de rechtsgemeenschap heeft aanspraak op een gelijk deel van de productieve capaciteit van het ‘land’, dat wil zeggen op een gelijk deel van de landrente.

Dit principe, van individuele gelijke verdeling van de landrente vormt een wezenlijke grondslag voor iedere authentiek menselijke rechtsgemeenschap. We hebben gezien dat het natuurlijke recht impliceert dat ieder lid van de rechtsgemeenschap, niet in abstracto maar in concreto, het recht op fysiek bestaan hoort te erkennen van de andere leden van de rechtsgemeenschap. In de meest primitieve situatie betekent dit dat ieder lid van de gemeenschap aanspraak maakt op niet meer dan een evenredig deel van de natuurlijke hulpmiddelen, zoals bodem, water enzovoort, die ter beschikking staan van de gemeenschap. Deze aanspraak op een evenredig deel van het land is niets anders dan een aanspraak op het recht om te arbeiden of werken voor het eigen levensonderhoud. In een meer geavanceerde samenleving met doorgedreven arbeidsdeling wordt dit principe van gelijke toegang tot het land omgezet in aanspraak op een gelijk deel van de landrente. Het onderliggende idee blijft echter onveranderd: de toegang tot een evenredig deel van het land, of de beschikking over een gelijk deel van de landrente, is identiek met het natuurlijk recht op arbeid, dat wil zeggen met het natuurlijk recht op leven. De werkloze in een moderne samenleving, die in het beste geval een uitkering ontvangt en vaak als parasiet wordt afgeschilderd, werd in werkelijkheid beroofd van zijn natuurlijk recht op toegang tot de productieve vermogens van het land. Daardoor werd hem zijn recht op arbeid ontstolen want men kan niet leven en niet werken zonder toegang tot het land.

Rudolf Steiners ‘Existenzminimum’ is niets anders dan het basisinkomen dat het enige zuiver individuele inkomen is dat een mens toekomt, alle andere vormen van inkomen worden verworven in samenhang met anderen. Het basisinkomen weerspiegelt het individuele aandeel van het lid van de rechtsgemeenschap in de vruchtbaarheid en de productieve vermogens van het ‘land’. Uiteraard neemt men ook land in bezit via de bewoning van een huis, via het gebruik van grond als werkplaats of als akker enzovoort. Conceptueel dient het deel van het land dat men op deze manier rechtstreeks bezit te worden afgetrokken van het landaandeel dat als basisinkomen wordt ontvangen. In de praktijk kan dit gebeuren door een kadastraal inkomen te verbinden met elk stuk land. Het concept van onroerende ‘opbrengst-eigendom’, waarbij de eigendomstitel als zodanig een inkomen oplevert zonder enige vorm van arbeid, hoort te worden geschrapt.

Basisinkomen als schenkgeld

Het individuele basisinkomen is het individuele aandeel in de landrente dat toekomt aan ieder lid van de rechtsgemeen-schap van het land. De landrente is de directe uitdrukking van de vruchtbaarheid en productieve capaciteit van het land en is gelijk aan het deel van de productieve opbrengst dat overblijft nadat alle productiekosten zijn gedelgd en alle productie-medewerkers een billijk inkomen hebben ontvangen. Dat is de ‘zuivere winst’. Een authentieke rechtsgemeenschap kan slechts bestaan als alle leden van de rechtsgemeenschap elkaars recht op fysiek bestaan niet enkel in theorie maar ook in de feiten erkennen, wat inhoudt dat alle leden van de rechtsgemeenschap gelijke toegang krijgen tot het land en zijn productieve vermogens. We hebben daarom het basis-inkomen gekarakteriseerd als ‘…het recht op leven en op arbeid‘. In de meest primitieve situatie betekent dit dat ieder lid van de gemeenschap de gelijke mogelijkheid moet hebben om de beschikbare grond te bewerken, uit het beschikbare water te putten enzovoort. In een samenleving met geavanceerde arbeidsdeling en gespecialiseerd grondgebruik komt het recht op toegang tot de productieve vermogens van het land overeen met een van de landrente afgeleid basis-inkomen dat toelaat om op voet van gelijkheid met anderen productieve verbanden op te richten.

Anderzijds hebben we ook gezien dat geld van nature veroudert, omdat geld in oorsprong, vorderingen weerspiegelt op productieve prestaties van concrete menselijke individuen. De betrokken individuen zijn sterfelijk en het geld dat de vorderingen op deze mensen weerspiegelt wordt waardeloos wanneer de betrokkenen door ziekte, ouderdom of dood niet langer kunnen produceren. We kunnen deze verhoudingen in beeld brengen door de stroom van het schenkgeld te schrappen en het koopgeld te kortsluiten op het kapitaal. In zo’n geval, wordt niets geïnvesteerd in het land. Geen nieuwe kinderen worden geboren en opgevoed. De totale productie wordt opgesoupeerd door de bestaande bevolking die zal verouderen en tenslotte zal uitsterven. In zo’n situatie wordt roofbouw gepleegd op het land, wat na enige decennia voert tot volledige uitdoving van de economische cyclus en totale geldontwaarding.

Men kan deze verhoudingen uitdrukken, door met iedere geld-eenheid een eindige geldigheidsduur te verbinden. Nadat het geldbiljet zijn maximale levensduur heeft bereikt wordt het ongeldig. Wanneer een oud geldbiljet wordt aangewend als ‘schenkgeld’ en het geld dus geïnvesteerd wordt in het land, wordt het vervangen door een nieuw geldbiljet met een latere vervaldatum. Indien voldoende geld als schenkgeld wordt ingezet blijft de economische cyclus stabiel; tegelijk blijft ook de geldmassa constant omdat de ‘oude’ biljetten vóór het bereiken van hun vervaldatum door nieuwe, ‘jonge’ biljetten vervangen worden. Indien te weinig geld aan het land wordt geschonken begint het productieve vermogen van het land af te kalven, wat zich weerspiegelt in het afsterven van een deel van het oude geld. Indien voldoende schenkgeld gegenereerd wordt kan de bij het geldwezen horende bank voortdurend de oudere biljetten uit circulatie halen en door nieuwe biljetten vervangen. De veroudering van het geld wordt dan een louter conceptuele aangelegenheid zonder praktisch gevolg.

We hebben gezien dat de landrente ontstaat als de zuivere winst die bij de productie wordt gegenereerd. Deze landrente weerspiegelt de productiviteitsbijdrage van het land en moet als zodanig terugkeren naar het land. Net zoals het ‘billijke inkomen’ de productieve bijdrage weerspiegelt van degene die heeft gewerkt en aan deze laatste de economische ruimte geeft om verder te leven, zo weerspiegelt de als ‘zuivere winst’ verschijnende landrente de productieve bijdrage van het land en hoort aan het land de economische ruimte te bieden om verder als land te kunnen functioneren, dat wil zeggen verder nieuwe producenten te laten ontstaan.

Het land kan de landrente alleen ontvangen via de leden van de rechtsgemeenschap die hoort bij het land. Het land omvat immers zijn bevolking en het is via zijn bevolking dat het land nieuwe producenten voortbrengt. Het is enkel en alleen door de individuele leden van zijn rechtsgemeenschap dat het land daadwerkelijk een inkomen kan ontvangen en besteden omdat alleen individuele mensen beschikken over rede, hart en geweten. Iedere omleiding van de landrente, weg van de individuele leden van de rechtsgemeenschap in de richting van staatsinstellingen of ‘instituten van het geestesleven’, komt neer op het afvoeren van de landrente. De ‘zuivere’ winst of landrente moet worden omgezet in schenkgeld en dient daadwerkelijk vrij geschonken te worden door de ‘mensen van het land’.

Om logische redenen dienen we dit basisinkomen op te splitsen in twee delen. De individuele ontvanger is zelf deel van het land. Dus een bepaald deel van het basisinkomen moet al omgezet zijn in jong geld op het ogenblik van ontvangst, dat deel van het basisinkomen kunnen we het ‘individueel netto basisinkomen’ (INB) noemen. Dat bedrag komt overeen met de ruimte die de ontvanger als individu toekomt voor de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en menselijk-creatieve initiatieven, met inbegrip van de zorg die van de betrokkene zelf kan worden verwacht voor het land in zijn geheel. Het INB is de concrete uitdrukking van het recht op arbeid van de betrokkene. Als lid van de rechtsgemeen-schap heeft ieder lid van de rechtsgemeenschap een individuele aanspraak op een evenredig deel van de productieve vermogens van het land; het INB concretiseert deze individuele aanspraak.

Een ander deel van het basisinkomen bereikt de individuele ontvanger in de vorm van oud geld. Dit deel kunnen we het ‘individueel maatschappelijk basisinkomen’ (IMB) noemen en het wordt in principe door de ontvanger aangewend voor schenking aan instellingen in het geestesleven, zoals scholen, kerken, onderzoekscentra enzovoort, die daadwerkelijk bijdragen tot de vernieuwing van het land. Dit impliceert dat één of andere vorm van erkenning voor dit soort instellingen moet bestaan, die berust bij een instantie die als ‘Geldbeheer Geestesleven’ is aangegeven. Deze instantie is verbonden met de ‘bank’ en vervangt het inkomende oude geld door nieuw geld dat naar de begunstigde instelling gaat als schenkgeld. Het is essentieel dat de toewijzing van het IMB geschiedt door de individuele leden van de rechtsgemeenschap.

Individuen kunnen zelf ook fungeren als ‘instelling van het geestesleven’ bijvoorbeeld voor thuisonderwijs; een gezin zou ‘diplomageld’ kunnen ontvangen als een kind via thuisonder- wijs een door de instellingen van het geestesleven erkend diploma haalt.

We wijzen er op dat geldstromen worden aangeduid die in de praktijk niet worden onderscheiden zolang in de samenleving voldoende wordt geschonken en het land zijn productiviteit behoudt. In dat geval bestaat geen onderscheid tussen oud en nieuw geld omdat de bank de oudere bankbiljetten vóór het bereiken van de vervaldatum uit de omloop haalt. Indien globaal genomen voldoende wordt geschonken is het perfect denkbaar dat een individueel lid van de rechtsgemeenschap op een bepaald tijdstip zijn volledige basisinkomen (INB+IMB) voor persoonlijke consumptie gebruikt. Alleen wanneer het globaal volume van de IMB-geldstroom te laag wordt zal het onderscheid tussen ‘oud geld’ en ‘nieuw geld’ praktische betekenis krijgen. Men kan verwachten dat in een gezonde en natuurlijke samenleving de volumes van de betrokken geld-stromen een onderwerp zijn van voortdurend debat en dat uit het geestesleven werkzame oproepen tot bijsturing van de geldstromen uitgaan. Dit geestesleven zal echter slechts werkzaam kunnen zijn, indien het ten opzichte van de staat en het economische leven over volledige autonomie beschikt.

Met betrekking tot het basisinkomen kunnen we de volgende essentiële besluiten formuleren:

Ten eerste: het basisinkomen is niet zomaar een ‘leuk idee’ of een ‘mogelijke piste’. Het basisinkomen is de directe uitdrukking van het natuurlijke recht op fysiek bestaan, dat wil zeggen van het natuurlijke recht op arbeid. In een authentieke rechtsgemeenschap erkennen de leden van die gemeenschap elkaars recht op fysiek bestaan in de zin dat ze elkaars aanspraak op een evenredig aandeel van het productieve land accepteren. In een primitieve landbouwgemeenschap zou dit betekenen, dat men elkaars aanspraak accepteert om een evenredig deel van de grond te bewerken, een evenredig deel van het water te gebruiken enzovoort, in een hoogtechnologische samenleving met doorgedreven arbeidsdeling neemt deze aanspraak de vorm aan van een evenredig deel van de landrente, uitgedrukt in geld. Niet-toekenning van iemands basisinkomen, betekent dat het basisinkomen van de betrokkene wordt gestolen.

Ten tweede: het basisinkomen, het individuele aandeel in de landrente, kan onmogelijk worden ingevoerd als men niet parallel daarmee de mechanismen schrapt waarlangs de landrente onrechtmatig in beslag wordt genomen.

Tot slot: het basisinkomen kan alleen ingevoerd worden als in de geesten van de betrokkenen in voldoende mate de menskundige en maatschappelijke inzichten leven die met de invoering in overeenkomst zijn. Het basisinkomen dient, uit inzicht en liefde voor de zaak, door voldoende mensen gewild te worden.

Ferwert: 7-9 augustus 2018